Mikado - Kenniscentrum interculturele zorg  
 
   home       over mikado       activiteiten       publicaties       nieuws       agenda       abonnement       inloggen      English  
 
 

In het veld
   reageer      printversie  

Nazorg suïcidepoging bij jongeren essentieel
Jongeren die na een suïcidepoging uit beeld raken bij de hulpverlening, lopen een groot risico om nog verder in de problemen te raken. Daarom startte ‘Aan de grenzen’ in oktober 2005 het project Suïcide Nazorg (Suna). “Ik kijk mee over de schouder van een jongere”, aldus Marjon Ferber, casemanager van Suna. Ferber was een van de sprekers tijdens het symposium ‘Suïcide en parasuïcidaal gedrag bij migrantenjongeren’, dat op 26 januari gehouden werd in Den Haag.

“Er wordt van alles gedaan om zelfmoord te voorkomen, maar wat gebeurt er als jongeren daadwerkelijk een poging gedaan hebben? Ze komen op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis terecht, worden gehecht of gespoeld, en gaan weer naar huis. Maar wat dan? Hoe kun je de jongere dan toch in beeld houden? Op dat moment is er een lacune in de hulpverlening”, vindt Ferber.
Het Haagse project ‘Aan de grenzen’ dat zich richt op preventie en begeleiding van psychosociale problemen en suïcidepogingen onder allochtone jongeren, startte in oktober met het nazorgproject Suna. Samen met de GGD, de spoedeisende hulp van Medisch Centrum Haaglanden, psycho-medisch centrum Parnassia en kinder- en jeugdpsychiatrische instelling De Jutters probeert men jongeren na hun suïcidepoging in het vizier te houden om herhaling te voorkomen.
Marjon Ferber fungeert als casemanager. “Ik verleen zelf geen hulp, maar leid jongeren naar hulpverlening toe. Ik blijf ze een half jaar volgen, geef af en toe die duw die ze nodig hebben, of reik ze de helpende hand. Eigenlijk loop ik al die tijd naast een jongere.”

Maatwerk in nazorg
De gegevens van alle jongeren tussen de 12 en 25 jaar die na een zelfmoordpoging of zelfbeschadiging op de spoedeisende hulp terechtkomen worden doorgestuurd naar Suna. Alleen als jongeren daar toestemming voor geven neemt Ferber binnen twee weken na de melding contact op met hen om een afspraak te maken. “Vaak staan ze er wel voor open”, merkt Ferber. “Ze zijn overrompeld door wat er gebeurd is en stemmen toe in een afspraak.”
Samen met de jongere bekijkt de casemanager wat voor hulp er al op gang is gebracht en wat er nodig is. Dat kan variëren van het inschakelen van de GGZ, meegaan naar school of terugkeer regelen naar een stageplek. “Soms zijn jongeren een half jaar niet op school of op de stageplek geweest, en is het moeilijk om terug te keren. Ik ga met ze mee, zodat ze een nieuwe start kunnen maken.”
Vervolgens houdt Ferber de jongere nauwlettend in de gaten. Een mailtje, een gesprek, een telefoontje, even horen hoe het gaat. “Ik houd een vinger aan de pols. Het is maatwerk, voor iedere jongere geldt een andere aanpak.”

Lijden in stilte
Suna is bedoeld voor alle jongeren in Den Haag tussen de 12 en 25 jaar, maar in de praktijk blijkt totnogtoe dat vooral migrantenjongeren in het nazorgtraject terechtkomen. Sowieso blijkt uit onderzoek van de GGD Den Haag (2005) dat allochtone jongeren - in het bijzonder meisjes - vaker een zelfmoordpoging doen dan hun autochtone leeftijdsgenoten.
In datzelfde jaar bleek uit een Europees onderzoek, uitgevoerd door GGD Rotterdam en Universiteit Leiden, dat ruim vijf procent van de jongeren tussen de 14 en 17 jaar zichzelf wel eens met opzet verwondt. Het gaat dan om krassen, snijden of branden in het eigen lichaam, of om een zelfmoordpoging. Ook hier bleek het aantal migrantenjongeren relatief groot te zijn. Volgens hulpverleners zijn deze aantallen zeker niet verminderd.
“Hindoestaanse en Turkse meisjes meisjes doen twee tot drie keer vaker een suïcidepoging dan van oorsprong Nederlandse leeftijdgenoten. Vanuit het hindoeïsme noch vanuit de islam mag zelfmoord - overigens ook niet vanuit het christendom. De meisjes zijn echter erg vindingrijk om het zichzelf te laten overkomen. Ze zoeken het gevaar op door bijvoorbeeld dicht langs de snelweg te gaan lopen.”
Het heeft veel te maken met coping, de manier van omgaan met problemen. Ferber: “Je kunt moeilijk oorzaken aanwijzen, omdat elke jongere op een andere manier z’n problemen aanpakt. Maar je kunt wel zeggen dat autochtone jongeren vaker sporten of de stad ingaan als ze zich rot voelen, terwijl vooral allochtone meisjes thuis blijven, zich dienstbaar opstellen jegens de ouders en dus niet aan zichzelf toekomen. Ze kunnen hun rotgevoel niet kwijt, lijden in stilte, en willen daar op een bepaald moment toch vanaf.”
Daarbij is het voor allochtone jongeren moeilijker om hulp te zoeken. Ferber: “Jongeren willen vaak niet praten omdat er bij hen een stigma kleeft aan hulpverlening. Diep van binnen willen ze dolgraag. Maar ze schamen zich, zijn bang om gezien te worden. Dat gevoel is bij allochtone jongeren nog sterker, omdat een bezoek aan de GGZ door hen nog meer geassocieerd wordt met ‘ik ben gek’.”
Ze werkt er ook naartoe dat de jongere toestemming geeft om een persoon op school in te lichten over de problematiek. “Jongeren staan er wel open voor, maar omdat ze zelf in een isolement leven komen ze er niet aan toe. Daarbij zijn ze alle daadkracht kwijt.”

Op eigen kracht
Het contact met Ferber ervaren jongeren minder snel als ‘hulp’. De aanpak blijkt vooralsnog te werken, ook al is het aantal cliënten nog te klein om daadwerkelijk conclusies te trekken. Ferber geeft het voorbeeld van een 19-jarig meisje die tijdens haar jeugd met veel geweld in het gezin te maken had en uiteindelijk haar polsen doorsneed.
In de gesprekken met Ferber bleek dat ze zich altijd sterk had gehouden, maar juist op het moment dat het geweld verminderde brak ze en liet alles los. Nu is ze samen met Ferber bezig om haar stage op te pakken, vrienden op te zoeken, verder te gaan met school en hulp te zoeken. “Ik loop feitelijk met haar mee”, legt de casemanager uit. “Ik zorg ervoor dat ze die grote tas met problemen niet alleen blijft dragen, maar deelt met een hulpverlener.”
Ze merkt dat jongeren open staan voor de aanpak van Suna. De kracht? “We doen alles in overleg. Ik vraag steeds wat de jongeren er zelf van denken, uiteindelijk moeten zij autonoom blijven en zelf de regie in handen houden. Ik ben er voor de ‘steun in de rug’.”

Bron: Mikado / Mariëlle van BusselPublicatiedatum: 27 januari 2006 17:30 uur


Meer informatie:



Reageren
Wilt u uw mening, ideeën of reactie kwijt, dan kunt u nevenstaande formulier invullen. Uw reactie verschijnt direct zichtbaar op de website. Wilt u dit niet? Stuur uw reactie dan per .
 
naam

e-mail adres

(organisatie)
  reactie
 


 


Informatie voor abonnees van mikadonet.nl
Idiomes: 'We zoeken andere ingangen voor mensen die anders de boot missen.'
Interculturele relaties en gezinnen in de zorg- en hulpverlening
‘Je kunt heel goed communiceren zonder taal’
‘Ik hoop dat het normaler wordt om over opvoeding te praten’



'Ze moeten maar Nederlands leren'.
Mariëtte Hoogsteder.
 lees verder....



Geachte mevrouw de minister,
Tim Ruitenga.
 lees verder....



Waarom de vertellers moeder belde
Door: McGregor Spalburg .
 lees verder....



Een maïskolfje
door Amaryllis Sprock.
 lees verder....




 Zie ook het archief





Glenn Helberg
'Goed luisteren begint bij de ander even veel waard vinden'.
 lees verder....
 
 
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder toestemming van Mikado.